
Stel: je bent het jongste kind van zes.
Stel: je verloor je moeder in het kraambed.
Stel: je komt als baby thuis. In een huis waar je vijf broertjes en zusjes hun moeder hebben verloren. En je vader zijn vrouw.
Stel: niemand zegt het ooit. Maar toch voel jij dagelijks de zwaarte van de onuitgesproken beschuldiging. ‘Door jouw schuld is mijn moeder nu dood.’ ‘Jij bent de moordenaar van mijn moeder.’
Stel: je bent het eerste kind van je moeder en je vader en het enige kind van je moeder.
Stel: je moeder overleed onmiddellijk na jouw geboorte.
Stel: je groeide op in het liefdevolle gezin van de zus van je moeder.
Stel: je hebt regelmatig contact met je vader.
Stel: op een dag laat je vader zich ontvallen: ‘Het zou beter zijn geweest als jij niet was geboren.’
Last
Dan is het toch niet te hebben als ‘de buitenwereld’ bij heel jong ouderverlies zegt (of minstens net zo erg: denkt) ‘Ach, jij was zo jong. Je hebt je moeder niet gekend. ‘Dan kan je er geen last van hebben’.
Aanknopingspunten
Wat betekent ‘er last van hebben’ voor jou?